Godsdienstvrijheid?

We hebben godsdienstvrijheid. Maar ligt het wel zo simpel? Als opstart een  voorbeeld: Ik ga een godsdienst opzetten waar stelen tot het geloof behoort. In deze godsdienst moet je stelen van niet-gelovigen om in de hemel te komen. En als ik steel en door de politie wordt gepakt, dan kan ik me beroepen op de godsdienstvrijheid, want ja, je moet geloof toch kunnen uitoefenen!

Zo’n godsdienst zal veel weerstand oproepen. Sommigen zullen zeggen dit is geen godsdienst. Maar wanneer je het slimmer verwoordt, dan zal het moeilijk worden om het geen godsdienst te vinden. Anderen zullen er op wijzen dat stelen bij de wet verboden is, dus dat element van die godsdienst mag niet. Is dat niet een te beperkt juridische invalshoek? En wat als je er naar kijkt vanuit Nederland als gemeenschap van mensen?

Laten we eerst eens kijken hoe godsdienstvrijheid zich in Nederland ontwikkelde? In de Middeleeuwen had je één geloof, mensen die iets anders verkondigden kwamen op de brandstapel. In de 16e eeuw werd het protestantisme een reële tegenhanger van het katholicisme. Katholieken executeerden protestanten en omgekeerd werden ook katholieken opgehangen die weigerden protestant te worden (zoals de martelaren van Gorcum in 1572). Daarna werd het wat toleranter: men stopte met het ter dood brengen vanwege een ander geloof. Niet dat er nou godsdienstvrijheid was, katholieken mochten geen godsdienstoefeningen houden (kerken op zolder). Ze kwamen niet in aanmerking voor openbare ambten. In de 18e eeuw werd het nog ietsje soepeler. Katholieke kerken mochten er zijn mits ze niet vanaf de weg zichtbaar waren. Nederland moest nog steeds hervormd lijken. In de loop van de 19e eeuw werden andere godsdiensten dan de hervormde wettelijk toegestaan. Je zou kunnen zeggen dat de wet (en de overheid) niet langer meer discrimineerde naar godsdienst. Maar dat gold niet voor de mensen onderling. We kwamen terecht in de verzuiling. Dat hield in dat mensen een scherp onderscheid maakten of je hervormd, gereformeerd, katholiek of socialistisch was. Als protestant kwam je niet bij een katholieke voetbalvereniging. En een protestantse boer nam in principe geen katholiek personeel aan. En ook bij een mogelijke huwelijkspartner werd zwaar gediscrimineerd, want “twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen”. Het idee was: wij zijn beter dan de andersgelovigen. In katholieke kringen werden negatieve verhalen over gereformeerden graag rondverteld en in gereformeerde kringen omgekeerd hetzelfde. Maar er was godsdienstvrijheid volgens de wet.

In de tweede helft van de vorige eeuw zie je dat ook de bevolking steeds minder onderscheid maakt naar geloof. Bij het aangaan van vriendschappen speelt het nauwelijks meer. Het gezegde over de twee geloven op een kussen is iets van de verleden tijd geworden. Een werkgever kan het niet meer maken om een sollicitant af te wijzen omdat die een ander geloof heeft. Na de overheid discrimineren nu ook de burgers niet meer naar geloof. Dat betekent nogal wat. Mensen met een ander geloof zijn niet meer slechter, maar in principe even goede mensen als je zelf, even goede burgers. De manier waarop zij een goed mens proberen te zijn kan je wat minder aanspreken, wat minder vertrouwen hebben in hoe zij het aanpakken, maar wanneer hij of zij een goed burger en goed medemens probeert te zijn is het prima. Hiermee worden – impliciet – eisen aan een godsdienst gesteld. Ze mag niet meer prediken dat de eigen gelovigen hier op aarde verheven zijn boven andersgelovigen of atheïsten. Allen zijn gelijkwaardige burgers. Hiermee legt deze nieuwe invulling van godsdienstvrijheid dus beperkingen op aan de godsdiensten! Maar het brengt het voordeel mee dat in de samenleving mensen elkaar niet meer discrimineren naar godsdienst.

Wat betekent dit. Stelen van andersgelovigen is moeilijk te rijmen met die anderen als gelijkwaardige en respectabele burgers zien. Een ander voorbeeld: een prediker die zijn gehoor voorhoudt dat mensen met een andere opvatting slecht zijn. Zijn toehoorders kan dit een zelfbevestiging geven die zij eigenlijk nodig hebben. de prediker zal zich bij verwijten beroepen op de vrijheid van godsdienst. Maar zijn opvatting van vrijheid van godsdienst hoort bij de hoogtijdagen van de verzuiling. Die gepaard ging met – niet verboden – zeer zware discriminatie. (Want zou jij iemand in dienst willen nemen die meent dat hij beter is en daarmee neerkijkt op jou?) Zal deze geloofsgemeenschap die consequentie wel willen? Zij zal in ieder geval met deze vraag geconfronteerd moeten worden. Als ze er voor kiezen mede-Nederlanders te zien als gelijkwaardig en respectabel, dan is er voor hen mogelijk nog een theologisch probleem, maar het is wel een probleem waarmee ze aan de slag moeten, ook wanneer dat niet een, twee, drie is opgelost.

Ik denk dat de overheid die confronterende vraag moet neerleggen. (Want wie doet het anders?) Dat is constructiever dan hen aanspreken op of beschuldigen van aanzetten tot terrorisme. Zo’n beschuldiging schept afstand. Een confronterende vraag respecteert de ander als lid van Nederland als gemeenschap van mensen en daagt uit om daadwerkelijk lid van deze gemeenschap te zijn.

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s